Ik zei, nog tegen Ci, ik zeg (ik dacht t, dus namelijk, ik zei t), das geen goed idee, uw economie. Ik doel, op zijn zero-Covid-pe-leid. Und jetzt? Ja da weet hij eigen-lijk ook nie. Aha. Ik wil ´m tuurlijk, nie passeren (tuurlijk nie, waar-om zou ik? Ja da heeft, n toontje ja Ci). - Ver-pergen da nooit nooit al-tijd de nooit nooit al-tijd economie nooit nooit nooit ge-volgjes nooit nooit nooit van nooit nooit nooit Covid. Hij zegt net, ohne her-pergen. Hmmhmm, t = toch MIJN truukje? T = ook ZIJN economie. Ik mag ´m NOOIT passeren. Noe zegt hij, in-eens da hij wacht. Da t Polsanero was. Ik pe-doel, ik hep, pest n soort respect voor Ci. Ik pen, t vol-strekt, met ´m on-eens, maar toch. Doet u, anders iets aan Zero-Covid? Zij.